André Van Schuylenbergh, retrospectieve 1973-2013

In 2013 organiseerde het provinciaal cultuurcentrum Caermersklooster een grote overzichtstentoonstelling van André Van Schuylenbergh. Het 40-jarige oevre werd door curator Sven Vanderstichelen in een levensgrote tijdslijn gegoten. Niet alleen werd door deze kwantitatieve opstelling André's gedreven productiviteit benadrukt, maar tevens konden de toeschouwers in één of meerdere oogopslagen de evolutie van zijn werk waarnemen. Vanaf het studentikoze zoekwerk op Sint-Lucas, doorheen invloedrijke stromingen als pop-art & de neo-expressionistische "Neue Wilde", richting de meer bekende gestileerde maskers, al dan niet kracht bijgezet door een energiek kleurenpalet. Wanneer de tijdswand richting het heden eindigt, bevinden we ons in André's herontdekking van het, of eerder zijn, realisme. Bloemen, landschappen en zijn familie vormen hierbij zijn grootste inspiratie.

De tijdswand kan je volledig bekijken door op de miniatuurweergave hieronder te klikken.

Kunst als tijdsdocument

 

door Willem Elias

decaan faculteit psychologie en educatiewetenschappen

De mystieke uitpuring van geometrische lijnen, in vierkant of ruit gezet, jarenlang aan Sint- Lucas Gent gedoceerd door Dan Van Severen – de meester in de soberheid met monnikengeduld –, was zeker niet de juiste leerschool voor het temperament van André Van Schuylenbergh. Alhoewel? Vertekent zijn typische gestileerde kop – wat schatplichtig aan de schoonheid van Grace Jones – , die reeds zeer vroeg in de kiem aanwezig is en steeds weer herrijzend doorheen zijn oeuvre verschijnt, geen sporen van de gestrengheid van de grote meester van het minimale in de abstractie?
 

Zijn lineaire vrouwenkoppen pogen de kadans van de geometrie te ontspringen, maar blijven in de ban van de virtuoze eenvoud in één lijntrek vol glooiende souplesse. Dit fantoomresidu van de lessen van Dan Van Severen weerleggen geenszins de vaststelling dat André Van Schuylenbergh daar niet op zijn plek was. Het afscheid wordt symbolisch gevierd door een vrolijk zelfportret in blauw met zomerhoed. Weg van het puritanisme. Op reis naar de kleurwereld waar Matisse de ongeëvenaarde grootmeester is. Dat wordt het artistieke klimaat waarin André Van Schuylenbergh zich thuis voelt. Hij vlucht naar een atelier waar de bijdrage van de leraar in de creativiteit van de klas zich beperkt tot het aanwakkeren van de kachel in barre winters. Daar kan André zijn ding doen: schilderen en schilderen en nog eens schilderen op zoek naar zichzelf via vele omwegen, deze van zijn eigen tijd.

Voor die eigentijdse cultuur gaat hij niet enkel te leen bij de schilderkunst, maar bij alle soorten vormgeving.

Van Schuylenbergh is geobsedeerd door alles wat vormgegeven wordt, noem het ‘design’, maar het gaat verder. Hij heeft een bijzonder oog voor het fenomeen dat elke vorm tot een cultuur behoort waardoor de tijd even stil staat en vlug ook weer verder gaat, zodat er een aanschouwelijke afstand ontstaat. André is een wellustige snoeper van het schone. In de schoonheden die hij zelf maakt plukt hij gretig uit de verschillende stijlen van zijn tijd. Hij is daarin een kind van het postmodernisme.

Alles wat passeert wordt even binnen gedraaid en al dan niet als frivole pastiche of als hommage brengend citaat op doek gebracht. Steeds trouw aan zijn handige schilderspoot. Goed verwerkt in zijn eigen toetsensysteem. Toch steeds wisselend met een aantal periodieke comebacks. Er is Van Schuylenbergh, de exuberante creator, die, naast schilderen elk medium (keramiek, wegwerpmaterialen, borden, sierraden, T-shirts, ... noem maar op) aanwendt om zijn stempel op te zetten. Er is ook de André, verzamelaar. Sinds zijn jeugd schuimt hij de rommelmarkten af en redt daar het afgedankte om het in ere te herstellen, nl. in zijn collectie. Beide werelden lopen in elkaar over. In zijn schilderkunst wordt zijn verzameling weerspiegeld en zijn collectie vult zijn oeuvre aan. Onafscheidelijk maken beide zijn identiteit uit.
 

De evolutie van zijn werk lijkt op een vrolijke calvarietocht met wendingen als staties. Ik overloop ze even in telegramstijl.

Zijn authentieke stijl kruist met diverse invloeden uit de twee domeinen, de tijdgenotelijke kunst en de vormgeving die hem fascineert. Op de soberheid van leraar Van Severen reageert hij in de jaren zeventig met felle kleuren. Hij portretteert zijn familie en maakt groteske figuren met een groet aan Francis Bacon qua deformatie. Hij wordt snel een Vlaamse vertegenwoordiger van de popart, wat zeldzaam is. Geen neo-dadaïsme à la Broodthaers. Evenmin een naïef neo-expressionisme zoals de Nieuwe Figuratie toen bracht met Raveel als verstedelijkte boerenbuitenschilder die een duiventil aan zijn schilderij hing.

Een popart van de grootstad, weliswaar gedroomd vanuit Aalst, met de allure van de glitter van Roy Lichtenstein, puttend uit de popcultuur, waarvan een paar symbolen aan het schildersdoek bengelen. Jaren tachtig. Grace Jones verschijnt, of beter haar schaduw, gestileerd door de hand van André Van Schuylenbergh. Niet enkel haar karakterkop, maar de ganse cultuur waarvoor ze model staat, komt in beeld. In dit alles blijft André trouw aan de nieuwe esthetica die het hoofdkenmerk van de moderne kunst is: het primitivisme. Afrika heeft ons geleerd hoe een beeld krachtig te maken. De zuivere popart-aflijning wordt vanaf 1984 door elkaar gehutseld. De Neue Wilden zijn in ’t land. Een knipoog naar Salomé kan hier niet verdonkeremaand worden. Overgewaaid uit New York wordt de graffiti in ere hersteld. André, een Aalsterse Keith Haring? Erfpacht is dat soort kunst steeds aan de Cobra verschuldigd. Bij Van Schuylenbergh loopt dit wilde avontuur eind de jaren tachtig uit op een liefde voor de abstrahering.

Goed decor overigens om begin de jaren negentig terug een figuratie te laten verschijnen. Deze keer bijgestaan door het inkleven van affiches. Een portret van Louis Paul Boon is hier zijn meesterwerk. Deze werken met collages worden geflankeerd door exotische taferelen. Terug een vrij zuivere figuratie met dames in een zwoel kleurenbad. Wie zegt ‘exotisch’, denkt ‘erotisch’. Deze processie doorheen zijn werk, vindt een afsluiting met zijn recent werk dat verrassend een terugkeer is naar een meer klassieke schilderkunst.

Het Afrikanistieke als constante in zijn werk heeft plaats gemaakt voor een oude esthetica van de mimesis. Thema’s worden: de familie op de plage aan de Lago Maggiore van het Zwitserse Ascona; een traditioneel naakt in een oud fauve-decor; levensblije magnolia’s; landschappen al dan niet met een indrukwekkende brug. Vlug geteld kom ik maar aan negen staties, zodat het recente stadium tevens kan gezien worden als een opening naar verder. Zijn creatieve duivel is nog niet dood.
Curator Sven Vanderstichelen heeft het postmoderne oeuvre van André Van Schuylenbergh in evidentie geplaatst door het navenant tentoon te stellen in de context waarin het ontstaan is. Geen diachronische retrospectieve op een tijdslijn, maar een synchronisch perspectief waar – in wat ik ‘staties’ genoemd heb – telkens een aantal werken samen te bekijken vallen volgens het ophangsysteem van de Wunderkammer uit de Renaissance. Niet enkel zijn schilderijen vormen een ware tapissage, maar ze worden aanvullend omringd door zeg maar zijn inspirerende collectie. Zijn liefde voor grootmeester in postmodern design, Ettore Sottsass, wordt duidelijk. Zijn merkwaardige collectie meubels van de Aalsterse postmoderne ontwerper Pieter De Bruyne (1931 – 1987) vormen een betekenisgevend facet aan de tentoonstelling. En verder ook de resultaten van zijn goedgekke verzamelwoede, waaronder een merkwaardige reeks vazen uit de jaren vijftig. Aangevuld met de andere media waarin André Van Schuylenbergh zijn onuitputtelijke creativiteitsdrang liet botvieren. Allemaal samen een waar rariteitenkabinet.